Culinair reisverslag: Argentinië & een stukje van Chili

Argentinië, wat een land! Het stond al een hele tijd op mijn wishlist om ernaartoe te gaan. Eigenlijk al sinds mijn broer er jaren geleden op reis ging en terugkwam met de meest spectaculaire foto’s. Je kent dat vast wel, je ziet meermaals per jaar foto’s van vakanties. Maar er zijn er maar enkelen die je echt bijblijven, dat was voor mij dus de foto’s van mijn broer. Eigenlijk zouden we afgelopen december/januari al deze reis maken, vooral ook omdat het in die maanden juist zomer is in Argentinië. Dit kon helaas door werkomstandigheden niet doorgaan dus we besloten de reis alsnog enkele maanden later te maken. Het was dus tegen die tijd wel einde herfst. Eerst zal ik kort de reis beschrijven, om je vervolgens mee te nemen in de culinaire wereld van dit land en andere opvallende aspecten.

Normaliter bereid ik mijn reizen best wel redelijk voor. Ik hou er niet zo van om tijdens de reis me nog druk te moeten maken met de vraag ‘Waar slaap ik morgen eigenlijk?’. Als zo goed als alles van tevoren is uitgestippeld en geboekt, dan hoef ik me alleen nog maar druk te maken over de belangrijke zaken op vakantie: ‘Waar eten we vandaag?’ en ‘Wat voor tofs gaan we vandaag weer doen en/of zien?’. Wegens tijdgebrek hebben we deze Argentinië reis eigenlijk amper voorbereid. We zochten 3 plekken uit die we wilden bezoeken, boekten de vlucht, inclusief ook de binnenlandse vluchten. En na elke vlucht boekten we minstens de eerste overnachting, en verder was er nog helemaal niets geregeld.

De reis begon in Buenos Aires. Niet mijn favoriete stad als ik eerlijk ben. Nu speelt het weer altijd wel een grote rol bij het bezoeken van een stad, en wij hadden in de 2,5 dag dat we daar waren zo ongeveer alle seizoenen wel gehad; zon, regen en wind. Buenos Aires heeft enkele leuke wijken, zoals Palermo Soho en San Termo. Maar dan houdt het daar ook wel een beetje mee op. Buenos Aires bezit niet zoveel ‘landmarks’ als andere grote steden dat doen. Er is geen Eifeltoren, geen vrijheidsbeeld, geen Colloseum of Sagrada Familia. Dat maakt dus dat je eigenlijk alleen wat door de straten kan slenteren en de wijkjes kan bekijken, maar veel meer dan dat kun je er ook niet doen. Er zijn wel enkele musea, maar die zijn zeker niet van niveau ‘Guggenheim’ of ‘Louvre’. Als de zon dan schijnt, dan kun je wel prima toeven in de botanische tuinen bijvoorbeeld. Maar zoals ik al zei, wij hadden de pech dat eigenlijk maar een halve dag de zon scheen, dus lekker picknicken onder het genot van een Malbec zat er niet in. Wat ons wel opviel is dat het een relatief rustige stad is. Althans, in sommige delen van de stad heb je 5-baans straten, waar dan maar 3 auto’s over rijden. Ook hoef je niet telkens slalommend over de stoep te lopen, want zoveel mensen lopen er niet. Ook hebben we heerlijk gegeten, daarover later meer.

De prachtige Perito Moreno gletsjer vanaf het uitkijkpunt

We vervolgden onze reis richting Patagonië. Patagonië is een immens groot gebied in het zuiden van het land, wat ook nog doorloopt tot in Chili. Door de ligging van het gebied en de aanwezigheid van het Andesgebergte, is het grootste deel van het gebied gevuld met prachtige, besneeuwde bergen, waarvan de voet en het platteland juist steppe-landschap bevat. Er zijn enkele fantastisch grote meren en gletsjers, waaronder de Perito Moreno gletsjer. Die moest en zou ik zien, want die had ik bij mijn broer ook op foto’s gezien. De Petiro Moreno gletsjer bevind zich op enkele uurtjes rijden van het stadje El Calafate, dus dit werd onze basis voor de tweede plek die we bezochten.

Hiken op de gletsjer was het gaafste wat we gedaan hebben

We boekten een minitrekking naar de gletsjer toe. Dit is echt het allergaafste wat we deze reis gedaan hebben. Met van die metalen spikes onder de schoenen gingen we zo’n 1,5u op de gletsjer wandelen. Ja, OP de gletsjer. Alsof ik me op een totaal andere planeet bevond, zo voelde dat. Een heuvellandschap van ijs, met hier en daar een sinkhole waar je duizelig van wordt, zo diep. En we hadden nog extra geluk, er was op het moment dat wij er waren een grot onder de gletsjer ontstaan waar we ook in mochten. Die grot was wel zo’n 50 meter diep en er stroomde zelfs een rivier in, allemaal gesmolten gletsjerwater. De gemiddelde gletsjer neemt in de loop der jaren af met de opwarming van de aarde. Deze gletsjer laat zich echter niet uit het veld slaan en is al jaren stabiel. Ik kan alleen maar WAUW zeggen.

Torres del Paine: Chili

Vanuit El Calafate gingen we met de bus naar Torres del Paine, een nationaal park dat net over de grens in Chili ligt. Op zo’n 2u rijden van het park ligt Puerto Natales, een klein stadje wat al jaren als gateway naar het park dient. Je kunt overigens ook in het park zelf slapen, in een hutje of op een camping. Dit lukte ons niet meer, omdat we het dus niet allemaal van tevoren geregeld hadden. Achteraf vond ik het niet erg, want gezien het seizoen was het s’nachts best wel fris. Dit had ons echter wel 4u rijden op een dag gescheeld. We besloten een auto te huren voor 2 dagen en op die manier het park te verkennen. Er zijn veel verschillende hiking routes, sommigen lang, sommigen kort en sommigen enkel te lopen met een gids. Van de ene kant van het park naar de andere kant rijden, daar doe je ook al wel zo’n 2u over. Zeker als je onderweg nog hier en daar wilt stoppen om van het uitzicht te genieten. We besloten dus beide dagen een relatief korte hike uit te zoeken, ongeveer 2u per dag. Zo waren we zo’n 8u per dag van huis. Dat was wel fijn zeker ook gezien het jaargetijde de avondschemer alweer vroeg viel. Op de derde dag dat we in Chili waren regende het en wisten we niet zo goed wat we nog wilden doen. De eigenaren van de bungalow waar we verbleven hoorden dat en nodigden ons uit om een echte Chileense lunch te komen eten bij hun. Nou, als foodie laat ik me dat geen twee keer zeggen natuurlijk! Het werd een Chileense kippensoep genaamd ‘cazuela de ave’. Heel traditioneel voor Chili, terwijl het eigenlijk een vrij simpele kippensoep was. Hij was uiteraard wel echt heerlijk en ik vond het fantastisch dat ik bij de mensen thuis mocht komen. Mocht je een slaapplek zoeken in Puerto Natales, dan is ‘Toore Patagonia’ je place to be!

De lieve Chilenen die onze lunch verzorgden
Cazuela de ave: Chileense kippensoep

Na de beauty van Torres del Paine dacht ik echt dat dit niet meer overtroffen kon worden. Ik had het bij het foute eind. We vertrokken naar El Chalten (weer in Argentinië) waar we de Fitz Roy hike gingen doen. Ok, het was zwaar pittig en ik heb meermaals bijna opgegeven en ook geroepen ‘dit doe ik nooit meer’. Maar wat een prachtige hike met een fantastisch mooi uitzicht. De hike duurde in totaal zo’n 9 a 10 uur, waarbij je een berg oploopt en weer terug. De eerste 3km van de hike zijn redelijk omhoog lopen dus die waren al wel pittig met mijn enigszins zwakke conditie (over met je neus op de feiten drukt worden gesproken..) maar de laatste kilometer omhoog van deze hike sloeg werkelijk alles. De laatste kilometer omhoog had een stijging van 400meter dus je kunt je voorstellen hoe stijl dit omhoog ging. Bovendien was er geen gebaand wandelpad maar waren het meer rotsen waar je tegenop klom/wandelde (afhankelijk van hoe lang je benen zijn ;)). Die laatste km heb ik meermaals willen opgeven (vooral omdat ik wist dat we dat hele end ook nog terug moesten) maar uiteindelijk, met behulp van Pim, toch doorgezet. Huilend kwam ik bovenop de top van de berg, emoties van uitputting en wanhoop, maar zeker ook van blijheid. We hebben over die laatste km zo’n 1,5u gedaan, kun je nagaan hoe heftig stijl het was. Maar wat een prachtig uitzicht hadden we daar, zowel op de Fitz Roy berg met een mooi meer eronder, als ook op het dal dat we inmiddels achter ons gelaten hadden. Het vervelende was alleen, toen moesten we nog dezelfde weg terug. Nu is omlaag gaan wel beter voor je adem, maar je spieren krijgen het toch wel zwaar te verduren. Het heeft ons daarna 3 dagen rust gekost doordat ons lichaam zo extreem op was en Pim zelfs een overbelaste enkel eraan over gehouden had. Toch ben ik achteraf blij dat ik het gedaan heb en vooral overwonnen heb. Maar het zou idealer zijn als de hike net 3 of 4 kilometer korter zou zijn.

Op de top van Fitz Roy, na 5u hiken

Na al dat natuurgeweld dat Patagonië ons bood vervolgden we onze weg naar Salta. Salta is een koloniale stad in het noorden van het land. Het stadje zelf is wel schattig om een dagje te bezoeken maar verder zeker niet net zo spannend als wat er verder te zien is in de provincie. We huurden een auto en reden naar het noorden. Met Tilcara als basis, wat overigens ook echt een mooi en schattig dorpje is, reden we 3 dagen lang door prachtige berggebieden die afwisselend droog met cactussen of vol met groene bebossing pronkten. Want ook dit gebied ligt in het Andesgebergte, met vooral het klimaat als grote verschil. Het tofste vond ik dat we zo’n 2u in bewolkt gebied reden, en vervolgens aan de andere kant van een berg uitkwamen waar de lucht ineens stralend blauw was. De bergtoppen zijn daar zo hoog dat de meeste bewolking er niet overheen kan klimmen. In dit gebied bezochten we de 14-kleurige berg, die zijn naam dankt aan de prachtige kleuren die vooral aan het einde van de middag goed zichtbaar zijn. Ook bezochten we de 7-kleurige berg, die stiekem een beetje zielig leek nadat we de 14-kleurige berg al gezien hadden. Onderweg stopten we in dorpjes als Humahuaca en Purmamarca, wat allemaal leuke kleine dorpjes zijn om even lekker te lunchen en wat souvenirs te scoren. In deze dorpjes vind je ook een aantal leuke kleine lokale marktjes, waar de locals hun eten shoppen. Op weg terug naar Salta besloten we een detour te nemen en langs de zoutvlakte te rijden die tegen de Chileense grens ligt. Heel gaaf om eens een zoutvlakte te bezoeken en dus een groot uitgestrekt wit gebied om je heen te zien. Het geluid van krakend zout onder je voeten is tegelijk gaaf maar ook wel spannend, want wat zit er onder het zout? Klein minpuntje van deze detour was dat we later op een zandweg vast kwamen te zitten, letterlijk terwijl we in the middle of nowhere stonden. Gelukkig kwam er binnen niet al te lange tijd toevallig een auto aan die ons heeft kunnen helpen. Dit was een geluk want we hadden al 2u lang geen auto’s gezien op deze weg.

De 14-kleurige berg

In vogelvlucht was dit onze reis. Maar hoe heb ik deze reis nou ervaren op culinair vlak? Een ding mag duidelijk zijn en ik denk dat iedereen dat wel weet: Argentinië is een vleesland, en dan vooral een rundvleesland. Ik denk dat we in die 3 weken geen enkel restaurant hebben bezocht waar er niet minstens 1 steak op het menu stond. De meeste restaurants hebben echter een hele menusectie vol steak. Allemaal verschillende soorten cuts vlees, die natuurlijk elk hun eigen smaak hebben. Zo heb je de Bife de lomo (tenderloin) en Bife de Chorizo (sirloin). Deze worden veelal bereid op de zogeheten parilla, wat de Argentijnse variant van de barbecue is. Ze noemen het ook wel asado. Het verschil is dat de asado het hele gebeuren is, dus echt de complete ‘barbecue’ (ik zet het even tussen quotes want veel Argentijnen zijn beledigd als je het een barbecue noemt). De parilla is enkel het gedeelte waar specifiek het vlees op gebakken wordt (tenminste, als ik het goed begrepen heb). Nu zou je denken dat er in principe weinig bijzonders is aan steak. Maar allereerst is hij daar ALTIJD perfect gebakken. Maar vooral, het zijn echt knoeperds die op je bord liggen. 600 gram biefstuk is daar heel normaal om door 1 persoon te verorberen. Niks geen sla of frietjes of iets anders erbij, gewoon een bord vol vlees. Uiteraard is het vrijwel overal wel mogelijk om een bijgerecht te bestellen, maar dan eet je dus eigenlijk nooit je bord leeg zoveel krijg je.

Uitstekende maaltijd bij restaurant Don Julio in Buenos Aires
Kijk meneer eens blij zijn met zijn steak van 600 gram
Straatkraampje met empanadas

Gelukkig wordt er ook gedacht aan de niet-bief-eter, zoals ik. Je kunt ook een prima kippetje van de parilla krijgen, maar ook kipschnitzels zijn erg populair. Ook daar moet je echter niet schrikken van de grootte. Ik heb me wel eens afgevraagd of ze een ander soort kip kennen in Argentinië, zo groot en dik was mijn schnitzel. Pasta is ook veelvuldig verkrijgbaar in Argentinië, omdat het land een Italiaanse achtergrond heeft. Verder krijg je op elke hoek van de straat uiteraard empanada’s met vullingen uiteenlopend van mais, vlees en caprese. Op elke andere hoek van de straat kun je dan choripan krijgen, een broodje met gebraden chorizoworst, wat ik persoonlijk zwaar lekker vond. Verder verbaasde ik me er toch wel over hoeveel bakkertjes je kunt vinden, vooral in Buenos Aires. Maar eigenlijk als je je bedenkt dat Dulce de Leche ook uit Argentinië komt is dat weer niet zo gek. Argentijnen houden zelfs zo erg van zoet dat ze ook, net als menig Italiaan, ontbijten met een zoet gebakje of stuk taart. In veel hotels bestond het ontbijtbuffet dus uit meer zoetigheden dan hartige hapjes. Uiteraard moest ik zelf ook zo af en toe, weer of geen weer, een heerlijk dulce de leche ijsje nuttigen of ontbijten met een plakje cake.

Kipschnitzel, van een of andere reuzekip gemaakt. Hij was ook echt 3cm dik ongeveer
Choripan, met heel veel koolhydraten erbij
Dulce de leche ijsje

Uiteraard moest ik als echte chipsliefhebber ook alle lokale smaakjes even proeven. Je vind er uiteraard de normale smaken als naturel chips of cheese tortilla chips. Maar ook een aantal specials. De jalapenos kaas smaak vond ik erg pittig, maar opzicht wel lekker. De choripan ‘chips’ vond ik vreselijk. Ik zet het even tussen haakjes want of het officieel chips was weet ik niet zeker, maar het zat in een klein plastic zakje en het was knapperig dus ik vind van wel. Mijn absolute favoriet was de gegratineerde aardappel met pancetta smaak. Juist, je leest het goed.

Lokale chipssmaken. Veelal in kleine zakjes te koop.

Verder vind je in elke streek ook regionale gerechten. Zo aten we in het noorden veel quinoa en stond er ook lamavlees op het menu. Lama is overigens bijzonder smaakvol. Het is licht zoet vlees en zit wat mij betreft een beetje tussen rund en varken in. Locro is ook zo’n regionaal gerecht wat op veel plekken op de kaart staat. Dit is een stoofpotje van o.a. mais en bonen. In Chili aten we guanaco vlees, dit is familie van de lama maar verrassend genoeg smaakte het heel anders. Ik vond de guanaco weer meer weg hebben van rund met een vleugje wild eroverheen. Ietsje minder mijn ding dan de lama als ik eerlijk ben.

Guanaco in Chili
Guanaco op mijn bord

In de omgeving van Salta zijn we trouwens ook op een heuse ranch gaan logeren tussen de gauchos. Hier reden we paard (ja, ik heb Pim zo gek gekregen om op een paard te klimmen) en hadden we een heuse asado, real Argentinian style. Dat vond ik gaaf zeg! Een lange tafel vol eten, allerlei salades en vers gebakken brood, maar ook aardappeltjes gegaard in een pizza-oven en veel, maar dan ook echt veel vlees. Ik denk dat ze wel 12 keer gevraagd hebben of we echt niet nog een stukje vlees wilden, terwijl we al ontploften van hetgeen we al naar binnen geschoven hadden. De rode wijn vloeide uiteraard ook rijkelijk tijdens de asado. Het leuke vond ik misschien nog wel dat de eigenaar van de ranch zelf echt alleen maar vlees at en wijn dronk. Geen salades, geen watertje voor ernaast. Dat is voor pussy’s, vond ie. Deze meneer, inmiddels gepensioneerd, leeft al jarenlang op enkel vlees en wijn en heeft tot nu toe nog niks geleden. Is dat niet verrassend? We logeerden in een best wel prima lodge, naast de paardenstal. Het zou uiteraard geen ranch zijn als er niet ook wat dieren in onze kamer kwamen kijken of we wel goed aan het slapen waren. Zo kropen er meerdere kikkers door de kamer (iehh!), of het was telkens dezelfde die van plek naar plek hopte, dat kan natuurlijk ook. s’Avonds aten we tamales, een lokaal gerecht van maïsmeel balletjes, gevuld met gehakt en ui, in een maïsblad gaar gesudderd. Erg smakelijk ziet dit er niet uit, maar ik vond het best wel lekker.

De asado tijdens onze lunch bij de gauchos
Met heel veel lekkere bijgerechten bij de asado
Tamales: de foto van de binnenkant was te onsmakelijk om te delen

Dat ze niet overal even goed kunnen koken in Argentinië hebben we ook aan de levende lijve ondervonden. We zochten vaak restaurants uit aan de hand van Google reviews. Nou, of wij hebben gewoon een hele andere smaak, of de smaak van een gemiddelde Argentijn is niet altijd om over naar huis te schrijven. Zo kreeg ik in Salta bijvoorbeeld onderstaand gerecht, wat een kip stroganoff moest zijn. Ik heb nog nooit zoiets gehad. Smakeloos, kip die te gaar was en rijst was ook niet lekker was. En het leek ook niet op stroganoff zoals ik hem ken. Zonde! Waar ze ook nog niet zo bijzonder goed in zijn is het maken van salades. Heel gek is dat wellicht niet, in een land dat vooral om vlees draait. In veel restaurants heb je een ‘doe het zelf’ salade. Je krijgt een lijst met ingrediënten en mag er zelf 2, 3, 4 of 5 uitkiezen die samen jou salade vormen. Nu zou je denken dat daar niks mis mee is. Nou, kijk dan maar eens naar de salade hieronder op de foto en oordeel zelf. Uiteraard valt dit allemaal in het niet bij al het prachtigs wat we gezien en gedaan hebben en gemiddeld genomen hebben we echt wel heerlijk gegeten in dit land.

Dit zou kip stroganoff moeten zijn
‘Salade’, met tonijn, tomaat, ui en kaas

Wat ons verder heel erg opviel in de provincie Salta en Juyuy waren de vele politiecontroles. Ik durf niet te zeggen of het werkverschaffing is of omdat er veel ‘wegcriminaliteit’ is in deze provincies, maar je moet je in elk geval voorstellen dat er ongeveer na elke 5-10 km een stuk of 4 politiemannen op de weg staan. Deze houden steekproefsgewijs mensen aan. Wij zijn een keer aangehouden maar toen ze in de gaten hadden dat we geen Spaans spraken mochten we snel doorrijden. Ook dat is iets wat ons echt heel erg opviel. Wat spreken er weinig mensen Engels in Argentinië! Zelfs in de grote stad, in Buenos Aires, was het hard zoeken naar Engels sprekenden op straat, toen we bijvoorbeeld op zoek waren naar de juiste bushalte. Je zou verwachten dat zeker de jongere mensen in Buenos Aires wel gewend zijn Engels te spreken, maar het tegendeel is waar. Uiteindelijk hebben we de bushalte wel op eigen houtje gevonden hoor, maar het was wel even zoeken. Op het gebrek aan Engels-sprekenden na is het verschil tussen platteland en de stad wel echt dag en nacht hoor. Waar de steden zoals Salta en Buenos Aires net zo goed elke andere grote stad zou kunnen zijn, want alle huizen zijn gewoon modern en je kunt er alles wat je in Europa ook kan. Daarentegen loopt het platteland echt ver achter, en doen de huizen op het platteland zeker niet onder voor de huizen die je in menig land in Azië ook vindt. Golfplaten daken, rieten daken, auto’s die je in Nederland niet eens meer op de schroothoop kunt vinden zo oud, en huisjes die amper een fatsoenlijke stoel bezitten. Alsof je 100 jaar terug in de tijd bent gegaan, want zo kom je ook regelmatig mannen te paard of zelfs met een bepakte ezel tegen. Ik vind dat persoonlijk prachtig om te zien, en dit is juist de reden dat ik van een land kan houden. Heerlijk om te zien hoe ze zich niet druk kunnen maken om de laatste mode en hipste mobieltjes, maar juist waar het allemaal echt om draait. Een fijn leven met familie en vrienden.

Een heel normaal zicht op het platteland van Salta

Naast de paarden en ezels kom je ook veel straathonden tegen. Vooral in Patagonië ontkom je er bijna niet aan. Nu zou je denken dat dit wellicht een beetje eng en gevaarlijk is, maar niets is (of leek) minder waar. De honden zijn allemaal heel erg lief. Ze lopen met je mee (uiteraard hopend op wat te eten) maar bedelen doen ze niet. Ga je ergens op een terras zitten, dan komen ze naast je liggen, maar bedelen doen ze niet, zelfs niet als je dus met een joekel van een biefstuk voor hun neus staat. Wij kregen het gevoel dat, ondanks dat het straathonden zijn, ze wel goed verzorgd worden door de bewoners van de dorpjes, want ze zagen er niet smerig uit en ook niet mager.

Zoals je hebt kunnen lezen hebben we een prachtige reis gemaakt, met heel veel verschillende gebieden. Als je van natuur houdt, is Argentinië absoluut een must-see. Of je nou voor het ‘wilde’, culturele en enigszins goedkopere noorden gaat, of het ruige, koude zuiden, er is echt voor ieder wat wils. Zowel op gebied van natuur, maar ook zeker eten. Maar wel allemaal ‘tranquillo tranquillo’ natuurlijk, alles op het dooie gemakkie. Haastige spoed is zelden goed. Als je dat motto kan omarmen, dan pas je perfect in de cultuur.

Ohja, nog een kleine tip van flip. Probeer zoveel mogelijk Argentijns geld al mee te nemen. Pinnen is overal echt belachelijk duur. Je kunt maar maximaal ongeveer 100 euro per keer pinnen, waar je vervolgens zo’n 10 euro transactiekosten over betaald. En je kunt (nog) niet overal met pin of creditcard betalen, dus cashgeld is zeker een must. Op plekken waar je wel met creditcard kunt betalen, aanvaarden ze niet altijd Mastercard. Visa en Amex dan weer wel.

De zoutvlakte van Salta

Culinair reisverslag: Citytrip naar Lissabon

Pim en ik wilden heel graag ontsnappen tijdens oud en nieuw. Ons initiele plan was om een reis naar Argentinië te boeken en daar in Buenos Aires oud en nieuw te vieren. Doordat we beiden vlak van tevoren voor ons werk ook al naar India moesten (Pim 2 weken, ik 3 weken) hebben we onze Argentinië reis vooruit geschoven naar 2018. We vonden het zo zielig voor onze katten George & Louis als we 2x zo lang van huis waren in korte tijd. Omdat we toch graag iets wilden doen dat het vooruitschuiven van de Argentinië reis ietwat ‘verzacht’, besloten we alsnog een tripje te boeken rondom oud en nieuw. Vooral vanwege het weer, en omdat we er beiden nog niet eerder geweest waren, werd dit een 6 dagen durende citytrip naar Lissabon. 6 dagen is vrij veel voor een citytrip, maar we wilden vooral echt op ons gemak doen. Lekker uitslapen, niet teveel moeten, en alles op ons eigen tempo. Met een kortere citytrip ben je toch al snel geneigd vroeg op te staan en lange dagen te maken zodat je tenminste de stad fatsoenlijk gezien hebt. We hebben de stad meer dan fatsoenlijk gezien in die 6 dagen, en ook nog eens heerlijk uitgerust. Als klap op de vuurpijl vierden we oud en nieuw op een groot plein in het centrum van Lissabon (Praça do Comércio) met een aantal bands en een geweldige vuurwerkshow. Uiteraard hebben we culinair gezien waarschijnlijk nog heel wat hotspots gemist in Lissabon, maar toch wilde ik je mijn ervaringen niet achterhouden. Hieronder lees je dus een culinair verslag van wat wij allemaal deden en aten in Lissabon. Één ding wat ik je even moet vertellen als je een tripje naar Lissabon plant; neem een stel goede sneakers mee! Lissabon ligt namelijk tussen de heuvels en het is dus flink klimmen en afdalen geblazen om op de leukste plekjes te komen.

Pastéis de nata

Één ding kun je niet omheen als je in Lissabon bent; Pastéis de nata. Je vind ze bij elk restaurant, koffietentje en elke pastelaria (Portugees voor bakkerij). Deze taartjes zijn gemaakt van megakrokant bladerdeeg met een vulling van custard en ze zijn echt to-die-for. We hebben elke dag minstens 1 zo’n taartje naar binnen gewerkt, op sommige dagen zelfs meerderen. Deze taartjes worden ook wel Pastéis de Belém genoemd, omdat daar klaarblijkelijk de oorsprong ligt. Belém is een wijkje in het westen van Lissabon en daar ligt ook de bekendste bakkerij van Lissabon die deze taartjes verkoopt en beroemd maakte. Er staat rijendik voor deze bakkerij om de taartjes te kopen. Wij sloten ook aan in de zwerm van toeristen, want we moesten natuurlijk wel even testen of de taartjes van deze bakkerij nou ook echt 10x lekkerder waren dan elk ander taartje. Gelukkig leek de rij langer dan hij voelde, en waren we toch redelijk snel aan de beurt. Testresultaat: wat mij betreft heeft deze bakkerij het allerbeste bladerdeeg, maar de custard van Manteigaria (gelegen in Time-Out Market, daarover later meer) vond ik dan weer lekkerder. Inmiddels heb ik ze zelf ook nagemaakt, althans, poging tot. 100% hetzelfde zijn ze natuurlijk niet maar ik vond dat ze aardig in de buurt kwamen. Het recept vind je hier.

Tapas bij Sr. Lisboa

Onze eerste avond in Lissabon zochten we een restaurantje. We waren even in het hotel om ons op te frissen toen Facebook mij een berichtje stuurde. ‘Je bent in de buurt van 3 restaurants die goed beoordeeld worden’. Nou, laat mij die restaurantjes maar eens zien dan. Één van die restaurantjes was Sr. Lisboa, een piepklein restaurantje met een overwegend Portugese menukaart. Daar wilden we wel eten! We liepen ernaartoe, berg op en berg af. Helaas pindakaas, helemaal volgeboekt. We reserveerden dus voor 2 dagen later en daar waren we blij om. Allereerst hing er een fijne sfeer en is het restaurant ook nog eens fantastisch leuk ingericht, maar vooral: wat hebben we daar heerlijk gegeten! Je kunt er tapas-style eten, maar ook voor- en hoofd-gerecht. De kaart is niet al te groot, wat ik altijd fijn vind. Wij kozen voor tapasstyle; heerlijke krokante garnalen, stukjes zeekat (cuttlefish) en heerlijke kroketjes van Portugese worst. Ik geef Facebook niet vaak gelijk, maar in deze wel, het was absoluut de moeite waard!

Time-Out Market

Voor een foodlover kan een bezoekje aan Lissabon niet zonder een bezoekje aan de Time-Out Market, ook wel Mercado da Ribeira Nova geheten. Deze market bestaat uit 2 delen; een marktgedeelte met vooral groentes, fruit, bloemen en vleeskraampjes, en een eetgedeelte, met restaurantjes, bars & shops. Het marktgedeelte was helaas dicht toen wij er kwamen (ergens na lunchtijd), dus ik gok dat deze enkel s’ochtends geopend is. Het eetgedeelte daarentegen was superlevendig. Het was zo druk dat we haast geen zitplekje konden vinden tussen de lange hoge tafels met barkrukken. Qua opzet lijkt deze markthal op andere foodhallen, zoals de Foodhal in Amsterdam of de Gourmet Market in Eindhoven. Rondom zitten allerlei eettentjes met elk hun eigen menukaart, in het midden zijn alle zitplekken. Het leuke aan zo’n hal is dat eenieder zelf kan kiezen waar hij zijn eten vandaan haalt, en je het toch gezamenlijk kunt opeten. Heb jij dus zin in Chinese noodles en je partner zin in steak frites? Dat kan prima hier! Het verschil met de foodhallen in Nederland is dat hier het drinken ook voornamelijk bij de stands zelf wordt geschonken, en er dus geen generieke drinkstand is (op enkele specifieke stands na in het midden van de hal, zoals de smoothie of cocktailstand). Pim at hier een beef tartaar en ik at kroketjes van zeekat met inkt en kabeljauw met chorizo. Ook aten we hier die andere lekkere Pastel de Nata bij Manteigaria. Er zijn ook buiten enkele zitplekken, dus met elk weertype is het hier prima vertoeven.

Infame

Het restaurant Infame lag vlakbij ons hotel in een prachtig gebouw, en we liepen er elke dag langs. Het zag er binnen gezellig uit dus we besloten op een avond daar te gaan eten. De inrichting is heel modern, ik vond het fantastisch. De kaart was al even zo fantastisch, allerlei Portugese fusion gerechten met veelal invloeden uit de Oriëntaalse keuken. Zo eet je er o.a. steak tartaar met Tobiko (viseitjes) en wasabi mayo, maar ook gevulde konijn met Shimeji paddenstoelen en erwten-muntpuree. Okee, het is niet perse het goedkoopste restaurant (duur ook niet echt hoor) maar ik vond heb er heerlijk genoten en wilde hem dus niet uit deze lijst weglaten.

Vis en schelpdieren

Lissabon ligt zo goed als aan de zee. Okee, het ligt aan de rivier de Taag, maar die mond echt enkele km verder uit in de zee. Dus het ligt praktisch aan de zee. Genoeg verse vis te krijgen dus in Lissabon! Ik heb op meerder plekken de heerlijkste vis gegeten, dus ik ga dit even generiek benoemen. Het zou ook heel slecht zijn als je zowat aan zee ligt en dan slecht bereide vis serveert. Ik denk dus dat wanneer je een druk bezocht restaurantje bezoekt je altijd wel safe zal zitten wat betreft vis. Hou er wel rekening mee dat de vis en schelpdieren hier veelal ‘heel’ geserveerd wordt. Schrik dus niet als er ineens een vissenkop op je bord ligt. Op oudjaarsavond aten we op een terras waar we een visschotel bestelden. Voordat het eten kwam, kregen we al allerlei tools aangereikt. Een hamer, een tang en een soort pincet. Die hadden we dus allemaal nodig om de hele schaal met vis en schelpdieren op te eten. Ik had wel eens eerder kreeft en krab gegeten, maar nog nooit eentje die nog helemaal opengemaakt moest worden. Wat was dat leuk om te doen zeg! Hoe dan ook, moraal van dit verhaal; verlaat Lissabon niet zonder een lekker visje gegeten te hebben! En probeer dan eens een ander visje te kiezen dan die wat je standaard in de supermarkt ook vindt.

LX Factory

In het westen van Lissabon, ongeveer tussen het centrum en Belém in ligt LX Factory. Dit creatieve hart van Lissabon is een voormalig stukje industrieterrein dat omgetoverd is tot artistieke broedplaats. Naast de vele cafeetjes en restaurantjes liggen er ook meerdere concept-stores, tweedehandswinkels en zelfs een barbershop. Voor degenen die bekend zijn in Eindhoven; het is de Portugese wederhelft van Strijp S. De hipsters onder ons kunnen hier dus prima vertoeven, maar ook voor de ‘gewone mens’ absoluut het bezoeken waard op een fijne zonnige dag.

Cocktails bij Topo

Je loopt er zo voorbij als je niet oplet. Topo ligt op de 6e etage van het commercial centre aan Praça Martim Moniz. Het bestaat uit 3 gedeeltes. Een gedeelte is een oriental restaurant, waar je dus vooral orientaals eet (duh!). Een deel is vrij hip ingericht binnenrestaurant annex barretje, waar we een prima hapje gegeten hebben. De kaart is klein maar toch uitgebreid, voor ieder wat wils dus. Het laatste deel is een dakterras met cocktailbar, waar je een fantastisch leuk uitzicht hebt over Castelo de São Jorge. Okee, net als de veel cocktailbarretjes is ook dit niet de goedkoopste, je betaald zo’n 8-9 euro voor een cocktail. Maar ze zijn wel echt lekker, worden met liefde gemaakt en voor zo’n uitzicht is het ook echt niet erg om net iets meer te betalen.

Andere dingen die opvielen

Blijkt dat Lissabon qua food echt he-le-maal mijn ding is. Bij elk gerecht krijg je namelijk chips geserveerd. En als ik een guilty pleasure heb, dan is dat wel chips! Normaal heb ik met mezelf de afspraak dat ik maar 1 bakje chips per week eet, omdat het anders de spuigaten uit zou lopen. Een paar daagjes Lissabon was voor mij dus een waar feest.

Wat me ook opviel is dat er in Lissabon vrij veel ‘vandalisme’ is. Veel oudere huizen zijn volgekalkt met graffiti, wat natuurlijk ontzettend zonde is. Ik hou van graffiti, maar alleen als het ook echt als kunst gebruikt wordt, zoals in LX Factory. Helaas is het buiten LX Factory vaak een lelijk woord of naam. Toch is Lissabon echt een prachtige stad, gelegen tussen en op de bergen. De kleine huisjes met vrolijke tegelgevels maken me blij en door hier en daar een palmboom kreeg ik echt een ontzettend vakantiegevoel. Ook kreeg ik veel respect voor de mensen die er wonen, want jeetje, wat een bergen moet je oplopen zeg! Geen wonder dat ze voor kleine stukjes berg een tram hebben ingericht. Dat geeft overigens ook gelijk een leuk straatbeeld, al die schattige gele trams. Het grootste respect heb ik denk ik nog wel voor de postbode, die kan denk ik niet altijd maar de tram pakken dus die zal flinke kuitspieren hebben gekweekt over de jaren heen.

Culinair reisverslag: Citytrip naar Rome

Omdat Pim en ik de laatste weken allebei vrij veel gewerkt hebben, en daarnaast ook druk zijn geweest met de laatste zaken regelen voor onze verhuizing komende maand (lees: verzekeringen, verhuisbusje, internet afsluiten etc) stelde Pim voor om een last minute citytripje te boeken. Stiekem had ik allang dat idee in mijn hoofd want ik wilde Pim eigenlijk verrassen voor zijn 30e verjaardag binnenkort. Maar vooruit, ik verzin wel iets anders, want ik kon natuurlijk geen ‘nee’ zeggen toen Pim vond dat we even wat quality-time in het buitenland nodig hadden. Dus, laptop op schoot en googlen maar. Ik had natuurlijk al een aantal steden in gedachten dus gelijk gezocht naar deze steden en al snel werd duidelijk dat de trip naar Rome ging. Ticketprijzen waren erg voordelig en ook de vliegtijden kwamen ons goed uit; vrijdagmiddag heen en maandagochtend terug. Zo konden we vrijdagochtend en maandagmiddag wel nog gewoon werken, en waren we dus geen 2 volle verlofdagen kwijt. Achteraf gezien toch een stomme keuze, want wie verzint er nou dat je vlucht om 7:20u s’ochtends vertrekt in een stad waar het openbaar vervoer pas rond 6:30u op gang komt? 7:20u is natuurlijk sowieso al geen tijd voor iedereen behalve ochtendmensen, maar ach, voor deze keer hadden we het er voor over.

Op mijn 16e ben ik al eens met school naar Rome geweest, en ik wist nog heel goed dat ik daar destijds helemaal geen zin in had. Ik ging puur mee omdat pap en mam betaalden, maar ik zag er zwaar tegenop om een midweek lang alleen maar kerken en ruines te bekijken. Ik bleek het toen mis te hebben, achteraf gezien had Rome echt een ontzettende indruk op me achter gelaten. Wat een prachtige stad! Ik kon dus niet wachten om me wederom te laten betoveren door de schoonheid van Rome.

Via booking.com vonden we een leuk hotelletje op steenworpafstand van het Vaticaan. Het zag er fris en schoon uit, was prima geprijsd en kreeg goede ratings. Eenmaal in Rome aangekomen waren we op zoek naar een hotel genaamd ‘Blu Room in Vatican‘. Een paar keer op en neer gelopen door de straat bleek toch echt dat we aan het juiste adres waren, maar het leek gewoon een appartementen complex te zijn. Eenmaal ingezoomd op de naambordjes naast de deur stond daar inderdaad ‘Blu Room’, dus belden we aan. We werden enthousiast begroet door een ietwat grijs wordende man en mochten doorlopen naar de 3e verdieping. Het bleek een gezin te zijn dat hun voorkamer verhuurd, werd ons in gebrekkig Italiaans-Engels met handgebaren duidelijk gemaakt. We kregen een sleutel van de voordeuren en onze kamer en als we verder nog vragen hadden konden we ‘knock-knocki on ze door’.

Eenmaal de kamerdeur opengedaan kwamen we in een piepklein kamertje met aansluitend piepklein badkamertje, wat van alle gemakken voorzien was. Een prima bed, heerlijk schone lakens, een warme, schone douche en zelfs een koffiezetapparaat & versnaperingen. Helemaal perfect voor 3 nachtjes.

Inbegrepen in de prijs zat ook het ontbijt, niet in hun appartement, maar bij de ‘bar’ een paar meter verderop in de straat. In Italie is een ‘bar’ niet hetzelfde als in Nederland. Ik denk dat je een vergelijking kan maken met de Nederlandse & buitenlandse coffeeshops, dat zijn ook 2 verschillende dingen. In Italiaanse ‘barretjes’ krijg je namelijk alleen maar koffie, sap, gebak en wat andere versnaperingen. Merk je dat er alleen maar ‘gebak & versnaperingen’ in de zin staat terwijl dit stukje over het ontbijt ging? Juist, een typisch Italiaans ontbijt is zoet. Wij kregen de keuze uit ‘croissant chocolat, croissant jam & croissant cream’, oftewel zoet, zoet en nog eens zoet. Voor iemand die nooit ontbijt of luncht met hagelslag, jam of chocopasta was dit dus een moeilijke keuze. Oke, ik ben sowieso niet goed in keuzes maken, laat staan als alle drie de opties me eigenlijk niet aanspreken. Maar vooruit, ik koos voor croissant chocolat op dag 1 en croissant jam op dag 2. Samen met een heerlijke kop cappuccino, want daar blinken de Italianen dan weer wel in uit, was dit toch wel een prima ontbijtje om de dag mee te starten, dus konden we met onze buikjes rond op pad.

Uiteraard bleken wij weer het perfecte weekend gekozen te hebben. Op zaterdag bleek namelijk een belangrijke dag voor de EU. Alle Europese leiders kwamen in Rome bij elkaar om het verdrag van Rome te herdenken. Het is namelijk 60 jaar geleden dat de betrokken landen dit verdrag ondertekenden. Gevolg; de helft van de toeristische attracties waren gesloten door dit event. Gelukkig blijft er dan nog een helft Rome over, dus we konden gelukkig wel genoeg doen.. samen met alle andere toeristen die hetzelfde probleem hadden. Gevolg; een rij van heb-ik-jou-daar bij de St. Pietersbasiliek en flink koppen lopen in de smalle straatjes in het centrum. Al slalommend wisten we ons toch een weg te banen tussen alle slenterende Oostblokkers en alles-fotograferende Japanners. Gelukkig scheen het zonnetje heerlijk, waardoor je alle toeristische ellende al snel vergeet. Tussen de Spaanse trappen & de Trevi Fontein in vonden we een perfect plekje om te lunchen; Trattoria Tritone, een pitoresk gebouwtje vol met klimop en houten klapraampjes, net van de drukke weg af, met een klein terrasje dat helemaal afgeschermd was door plantenbakken. Hierdoor waande we ons in even in een afgelegen dorpje. De kaart; typisch Italiaans. Antipasti, first course (pasta) & second course (vleesgerechten). Elke kaart van een Italiaans restaurant heeft deze samenstelling, af en toe met pizza’s en/of salade’s erbij, maar dit staat er minstens op.

Een uitgebreid driegangen-diner wilden we nog even uitstellen tot de avonduurtjes dus we besloten het alleen bij een pastagerecht te houden. Ik koos voor lasagne, want dat is echt mijn favoriete pastagerecht dus ik moest even goed proeven of mijn lasagne ook maar een klein beetje in de buurt kwam van de Italiaanse lasagne. Oordeel: niet echt. Om eerlijk te zijn vond ik de lasagne meer in de buurt komen van de kant-en-klare magnetronlasagne uit de supermarkt. En die vind ik stiekem ook lekker, dus ik vond deze lasagne ook lekker! Maar hij is wel heel anders dan mijn eigen homemade lasagne; veel meer room, minder groentes en dus sowieso minder gezond. Ook zijn uiterlijk laat wel ietwat te wensen over. Maar hij was toch lekker, en daar gaat het om! Zeker lekker in het zonnetje onder het genot van een glaasje wijn, kan het nog beter?

Later op de middag, toen we onze weg verder gingen richting het Pantheon, moest er natuurlijk ook een ijsje gegeten worden. Want dat kan in Rome, en dat moet in Rome, want bijna op elke hoek van elke straat vind je wel een ‘Gelateria’. Ik kon me nog heel goed herinneren dat ik tijdens mijn schooltrip naar Rome, zo’n 13 jaar geleden, bij een ijssalon vlakbij het Pantheon ben geweest waar ze minstens 100 smaken ijs verkochten. Helaas wist ik de naam niet meer en ook niet meer precies hoe je er terecht kwam. Achteraf bleek dat dit Gelateria Della Palma heet, voor degene die binnenkort wel in Rome komt en wel op zoek wilt naar deze uitbundige ijssalon. We kozen vandaag dus toch voor een andere gelateria. Deze ijssalon zag er luxe uit, hoorntjes van chocolade met nootjes, maar ook allerlei soorten chocolade en taartjes die ze verkochten. Door het luxueuze, goud-bruin interieur en de prijs kon dit dus niet anders dan topijs zijn. Helaas pindakaas. Slecht was het zeker niet, maar mijn karamelijs smaakte helaas ietwat vlak. Morgen nieuwe ronde, nieuwe kansen.

We vervolgden onze weg richting het water en staken de rivier over richting de wijk Travestere. Ik had al gehoord dat dit voor foodies een leuk wijkje zou zijn en dit was ook zo. Een klein gezellig wijkje, met smalle straatjes waar geen auto’s komen en heel veel restaurantjes. De een wat toeristischer dan de ander. Na wat rondgelopen te hebben door het wijkje konden we maar niet besluiten waar we wilden eten, dus we besloten onze vriend ‘Google’ om hulp te vragen.

Via Google Maps kun je heel makkelijk restaurant-tips in de buurt vinden en zo kwamen we uit bij ‘La Proscuitteria‘ uit. De naam zei mij voldoende om erheen te willen, het kon toch niet anders dan dat ze hier lekkere Italiaanse vleeswaren zouden serveren. En jawel, we kwamen in een kleine ruimte waar het plafond volhing met ham. Het was er druk, maar gezellig en we vonden achterin nog een leeg tafeltje gelukkig. Al snel bleek dat het niet een alledaags restaurant was; drinken was self-service & bestellen kon alleen aan de bar. We bestelden een anti-pasti plank en kregen een heerlijk plankje gevuld met vleeswaren, kaas en belegde broodjes. Los brood werd er bij geserveerd in een emaille steelpannetje en extra olijfolie & zout kon je zelf halen aan de bar. Met een zelf-geserveerd biertje erbij was dit het perfecte voorgerecht van deze avond. Er hing een ontzettend relaxte sfeer die al snel zorgde voor interactie met andere bezoekers. We vonden het zelfs zo fijn dat we voor een 2e ronde gingen; nog een biertje en deze keer bruschetta (lees: bruusketta) met tomaat & mozzarella erbij.

Omdat we toch ook een echte hoofdmaaltijd wilden eten gingen we na de 2e ronde verder op zoek naar een pizza-tentje. Of in ieder geval een plek waar ook pizza op de kaart staat. Ook die vonden we in Trastevere, en we genoten dus nog een heerlijke pizza na. Buikje rond liepen we langzaam weer terug naar ons hotelletje om weer energie op te doen voor de volgende dag.

De zondag begon hetzelfde als een dag tevoren, cappuccino met een zoete croissant. Omdat vandaag de andere helft van Rome gelukkig weer open voor toerisme was besloten we af te dalen naar het Colosseum & Forum Romanum. We hadden verwacht dat het hier ook extreem druk zou zijn, gezien deze attracties beiden een dag eerder nog gesloten waren, maar uiteindelijk viel de wachtrij nog mee en konden we vrij snel naar binnen.

Tussen het Coloseum & Forum Romanum in was het tijd voor lunchpauze, dus we zochten wederom met behulp van Google Maps naar een fijn lunchplekje enigszins in de buurt. Zo kwamen we uit bij Pane&Vino, in een van de straatjes achter het Colosseum. Het tentje kreeg goede beoordelingen, ook al ziet het er aan de buitenkant niet zo uit. Het is een kleine ruimte, met mega foute rode en groene letters op de gevel, de muren bekladderd door gasten en van die foute menukaarten zoals je in de nachtelijke donertent in Nederland ook wel eens vindt. Maar, zoals dat snachts ook blijkt bij de ‘dronken kapsalon’, bleken ook deze broodjes perfect te zijn voor de gelegenheid. Zeer smakelijke broodjes varkensvlees, dus voor een snelle doch smakelijke hap absoluut een prima plek.

Natuurlijk moesten we ook na het ellenlange slenteren door Forum Romanum in de lentezon even afkoelen door een ijsje en we gingen dus weer op zoek naar een Gelateria. Ik koos nu voor de smaken chocolade & meloen en werd deze keer alles behalve teleurgesteld.

Nadat we de rest van de middag in het zonnetje hadden vertoefd onder het genot van een koud biertje werd het tijd weer een plekje te zoeken voor ons avondeten. We liepen op dat moment toevallig op Piazza Campo de’ Fiori en ineens zag ik in mijn ooghoek de perfecte plek: Hosteria Romanesca. Een klein gezellig terrasje, waar het zo goed als vol zat, met van dat heerlijk ouderwets servies en geruite tafellakens. Als je langs het terras naar binnen keek zag je een oudere vrouw en een jonge meid verse pasta uitrollen. Dit bleek oma & kleindochter te zijn, want het restaurant was een echt familiebedrijf waarbij moeder en opa in de bediening werkten. We bestelden allebei dus heerlijke verse pasta en ook namen we een salade van ansjovis & ‘chicory’, een plant die qua uiterlijk wat wegheeft van hele jonge witlof. Uiteraard konden we Rome niet verlaten zonder ook een echt Italiaans dessert te proeven. Dus namen we Panna Cotta met karamelsaus na. Ook Panna Cotta heb ik al eens vaker zelfgemaakt. Helaas moest ik tot de conclusie komen dat ik mijn eigen Panna Cotta toch echt beter vindt dan die ik in Rome at (ofja, helaas voor de Italianen, hoera voor mijzelf!). Maar het is het restaurant vergeven, want ik heb echt ontzettend genoten van de verse pasta, de bediening en de sfeer op het terras en zou deze plek dus ook zeker aanraden.

Toen kwam ons tripje alweer ten einde en kon ik gaan beginnen conclusies te trekken. Allereerst viel het me echt op dat ik in het centrum van Rome geen enkel niet-Italiaans restaurant of snackbar heb gespot. Dus geen doner, geen mexicaans, geen tapas, alleen maar plekjes voor pasta en pizza. Dit kan natuurlijk komen doordat ik voornamelijk in de toeristische gedeeltes van de stad ben gebleven, maar ook in Trastevere bijvoorbeeld liepen voldoende Italianen rond. Ik vraag me dus af of Italianen daadwerkelijk elke dag pizza & pasta eten, of dat ze stiekem in de achterstraatjes en via geheime gangen toch nog andere eettentjes verstopt hebben.

Wat mij verder nog meer op viel is dat de Italiaanse restaurants die we gezien hebben allemaal heel vergelijkbaar zijn, en vrij standaard Italiaanse gerechten serveren. Pizza Margherita, Gnocchi met gorgonzola, Pasta l’Arrabiata & Ravioli spinazie & ricotta. Niets mis mee natuurlijk, maar een echt onderscheidende Romaanse keuken heb ik niet kunnen ontdekken. Food-wise had je mij ook wijs kunnen maken dat ik in een willekeurig andere Italiaanse stad was. Het enige zogenaamd Romaanse gerecht dat ik op kaarten gespot heb was Pasta Romanesca, maar geen enkele ober raadde ons die aan toen we ernaar vroegen. Of je daar als Italiaan dus trots op moet zijn, ik betwijfel het. Desalniettemin, ik heb ontzettend genoten van die 2,5 daagjes Rome, zowel als toerist als ook als foodie. Mocht je er nog niet geweest zijn, dan zou ik je zeker aanraden om snel de Ryanair tickets in de gaten te houden! Ik zou er in ieder geval zo weer terug gaan! Heb jij nog leuke foodie-tips voor als ik er weer naartoe mag?

 

Culinair reisverslag: Curaçao

Als reisgek reis ik minstens 1x per jaar naar een (liefst buiten-Europees) land. Allereerst om natuurlijk te genieten en cultuur te snuiven, maar zeker ook om de culinaire gewoontes van dat land te ontdekken. De reis van afgelopen maand ging naar Curaçao, 12 dagen in totaal. Via deze blogpost deel ik mijn culinair bevindingen van deze reis.

Dit reisverslag moet ik beginnen met de dag voor vertrek. De dagen ervoor hadden we onze koelkast al zoveel mogelijk leeggegeten en Pim en ik zaten dus te bedenken wat we die laatste dag voor het avondeten zouden doen. Pim zei ‘Laten we frietjes met frikandel halen, die zullen we de komende 12 dagen sowieso niet krijgen op Curaçao.’. Nou… he couldn’t be more wrong.

Eenmaal aangekomen…

Na een reis, die dan toch altijd langer duurt dan je rekening mee houdt (want oh ja, je moet ook nog naar de luchthaven rijden etc), kwamen we doodmoe rond 15u lokale tijd aan in ons resort. Een prachtig groot gebied met een eigen golfbaan, mooie luxe huisjes die veel privacy boden door de idyllische beplanting eromheen, en een privéstrand (privé voor het resort, niet voor ons alleen helaas) met barretje en 3 restaurantjes erbij. Omdat de gigantische hitte (lees: 33 graden maar voelt als 40 graden) je direct doet verlangen naar water, dropten we onze koffers in ons huisje en draafden we snel richting strand. Inmiddels bleek ook onze magen bij te komen van de lange reis en kregen we trek. Bij het barretje op het strand vroegen we de menukaart en guess what… broodje kroket of frikandel, portie bitterballen of bittergarnituur, frietje mayo of pindasaus, het stond er allemaal op. Even nog dacht ik dat het misschien toevallig op het resort verkrijgbaar was puur voor de oer-Hollandse strandtoeristen die lokale versnaperingen niet aan zouden durven, maar ook dat bleek niet het geval. Op meerdere plekken op Curaçao zijn snackbars te vinden, soms op toeristische locaties, soms ook niet. Het land heeft dus toch nog meer Nederlandse invloeden dan ik initieel had verwacht.

img_4535-1

De supermarkt

Ook in de supermarkt bleek dat Nederland dichterbij is dan de afstand doet vermoeden. Naast dat je een Albert Hein op het eiland kan vinden (geen aanrader, want alle prijzen zijn maal 3), barst ook de lokale supermarkt van de Nederlandse producten. Slankie smeerkaas, stroopwafels, worstenbroodjes, Venco drop, Calve Pindakaas.. noem maar op, het is er bijna allemaal te krijgen. Ook supermarktketen Jumbo heeft zich een plekje weten te veroveren, want de helft van het chipsrek lag vol met jumbo huismerk chips, om maar een voorbeeld te noemen. Behalve dit was er een keur aan vers groente en fruit te verkrijgen, en niet zoals in Nederland, per pond verpakt of iets dergelijks. Nee, gewoon een los schap met aardappels en een los schap met uien, waar je zelf kon afwegen hoeveel je precies nodig had. Heb je dus maar 1 pieper nodig? Dan kan dat gewoon daar in de supermarkt! On top of that werd ik ook duizelig van het aanbod vlees en vis. Van hele ‘red snappers’ en tonijnmoten tot 10 verschillende soorten braadworst, allerlei verschillend gemarineerd vlees, maar ook varkenspoten en kwartels. Dat is wat mij betreft hele andere koek dan de standaard boomstammetjes en zigeunerschnitzels die bij ons te krijgen zijn. Als laatste moet ik ook een melding maken van de hoeveelheid Amerikaanse artikelen die er verkrijgbaar zijn (en waar menig Nederlander nog nooit van gehoord zal hebben): ‘Reese peanutbuttercups’, ‘Goldfish crackers’ en ga zo maar door. Je kunt je voorstellen hoe groot deze supermarkt dan ook was. Wat producten betreft ben ik bij deze jaloers, daar kan menig Nederlands supermarkt een lesje uit trekken. Helaas is er een kanttekening die ik moet maken en dat is de prijs. Ook de producten uit de lokale supermarkt zijn niet goedkoop, in ieder geval niet goedkoper dan hier in Nederland. Vaak zijn de prijzen vergelijkbaar en soms zelfs iets hoger. Als je je bedenkt dat alles geïmporteerd moet worden, dan is dat ook niet zo heel gek.

img_4536-1 img_4537-1

Octopus carpaccio en kroonslak

Genoeg over Nederland in Curaçao, want gelukkig heeft het land toch ook nog voldoende eigen culinaire lekkernijen. Zo at ik in een restaurant in Willemstad aan het Waterfort ‘octopus carpaccio’, geserveerd met kappertjes, venkel, rucola en balsamicodressing. Niet wetende wat ik kon verwachten was mijn eerste reactie vooral verbazing toen het bord met de kleine schijfjes voor mijn neus verscheen. Toen ik nog eens ging nadenken bleek het ook wel logisch, want de tentakels van een octopus zijn natuurlijk zo groot niet. De smaak van de carpaccio was apart, maar niet funky. Eigenlijk was het gerecht best wel lekker, maar tippen aan de ouderwetse vleescarpaccio deed het zeker niet. Ook at ik daar Karko, ook wel conch genoemd, of in Nederlandse term ‘kroonslak’. Het is maar goed dat ik me pas naderhand ging afvragen wat Karko zou zijn, want toen ik plaatjes zag van het beestje kreeg ik toch stiekem wel de kriebels. Desondanks heb ik toch wel genoten van de met-knoflook op-smaak-gebrachte slak. Het vlees van het beestje was ik kleine stukjes gehakt, een beetje zoals shoarma of gehakt dat rul gebakken is. Er zat een licht laagje bloem of paneermeel overheen, waardoor het enigszins een krokante buitenkant had. Of het gebakken of gefrituurd werd, dat kon ik helaas niet helemaal eruit opmaken. Zou ik het nog eens eten? Ik denk het wel, ondanks dat ik nu weet wat ik aan het eten was, was het toch best lekker.

img_20160920_180732.jpg img_20160920_185431.jpg

Plaza Bieu

Een andere must-visit plek in Willemstad is Plaza Bieu. Deze grote loods in de wijk Punda, die zowel van buiten en van binnen niet heel erg uitnodigend uitziet, serveert dagelijks lunch tussen 11 en 15u. De lokale bevolking eet er hun lunch, maar ook als toerist ben je meer dan welkom. Zodra je de loods binnenloopt zie je rechts allemaal picknicktafels staan, waar iedereen door elkaar zit een hapje te eten. Links zie je een lange rij met fornuizen, waar immens grote potten en pannen opstaan. We werden gelijk begroet door een klein Spaans sprekend vrouwtje, die ons uitnodigde plek te nemen naast een oude man die zat te smikkelen van een hele vis. We kregen een menukaart in onze handen gedrukt ‘menu of friday’ stond erop. Het leek er dus op dat ze elke dag andere gerechten serveerden, dat is natuurlijk ook wel nodig om te zorgen dat de locals elke dag terugkomen. Omdat ik zelf geen fan ben van ogen op mijn bord, koos ik heel safe voor een stoofpotje van kip. Pim koos voor kabeljauw, maar deze bleek ook zonder ogen en staart geserveerd te worden gelukkig. Als bijgerecht kon je kiezen tussen aardappelpuree, rijst of polenta. Voor de afwisseling koos ik deze keer voor polenta. Zoals je kunt zien op de foto hierbeneden was het stoofpotje een heerlijke, felgekleurde mix van tomaat met andere specerijen, en werd de polenta geserveerd als rol. Omdat het vrouwtje dat ons hielp enkel Spaans sprak, en mijn Spaans een beetje ophoudt met ‘No hablo Espanol’, kon ik helaas niet achterhalen wat de exacte ingredienten waren. Hoe dan ook, ben je in Curaçao en heb je trek in het minder toeristische? Dan is Plaza Bieu een absolute must om te gaan lunchen!

img_4431-1 img_4416-1img_4419-1 img_4421-1

Jaanchie’s

Dat stoofpotjes veel gegeten worden in Curaçao bleek ook toen we gingen eten bij Jaanchie’s in Westpunt. Dit wegrestaurantje met ontzettend veel tierlantijntjes aan de muur staat bekend om het serveren van Leguaan. Eenmaal aan tafel word je vriendelijk begroet door de eigenaar Jaanchie, een man op leeftijd waar de passie vanaf spat. Elke tafel gaat hij persoonlijk langs om het menu van de dag te vertellen, gevolgd door een verhaal over hoe Leguanenvlees lustopwekkend is en daarom enkel geserveerd kan worden aan mensen met een sterk hart. Als laatste laat Jaanchie weten dat al zijn gerechten geserveerd worden met een flinke dosis vitamine L; ‘liefde’. Ik kon het niet laten om de leguaan te bestellen, maar bestelde daarnaast ook een stoofpotje met draadjesvlees. Pim bestelde vis, maar andere mogelijkheden waren bijvoorbeeld een stoofpotje van geit. De Leguaan was verrassend genoeg bereid met dezelfde specerijen als het draadjesvlees; paprika, curry etc.. De smaak van het vlees deed, net als bijvoorbeeld krokodil, denken aan kip. Echter doordat de botjes van een leguaan zo klein zijn, leek het ook wel alsof ik kwartel zat te eten. Het vlees was heerlijk mals en viel zo van het bot af. Ook het draadjesvlees was lekker, hoewel mijn voorkeur wat betreft draadjesvlees toch nog steeds ligt bij Limburgs zuurvlees. Als verrassingstoetje kregen we zelfgemaakt pinda-ijs. Ik wist tijdens het eten niet wat de smaak was en ik dacht zelf gelijk aan sesam-ijs. Ik zat er dus niet heel ver naast, maar hij was wel lekker!

img_4293-1img_20160921_134946.jpg img_20160921_134927.jpg

Pastechi

Wat je overal op het eiland kunt terugvinden, zijn ‘pastechi’, oftewel pasteitjes. Wij aten ze bij ‘Willywood’, vlakbij Sint Willibrordus. Het deeg was zelfgemaakt van bloem, boter, zout, water en suiker en ze waren heerlijk krokant. De vulling bestond uit bief, kip of kaas. Heerlijk als tussendoortje, binnenkort wil ik eens een poging wagen of ik ze zelf kan maken. Uiteraard zal ik dan het recept met jullie delen.

img_4201-1

Struisvogelfarm

Als je richting het oosten van het eiland rijdt, moet je zeker een bezoekje brengen aan de Ostrich Farm; de struisvogelboerderij. Naast heel veel struisvogels zijn er ook onder andere papegaaien, varkens en krokodillen te vinden. Je kunt een rondleiding krijgen over de farm en de struisvogels voeren. Niet goedkoop, wel leuk en informatief. In hun restaurant kun je struisvogel eten, in allerlei vormen en maten; carpaccio en biefstuk, maar ook struisvogelkroketjes bijvoorbeeld. Uiteraard serveren ze ook andere gerechten voor de niet-struisvogelliefhebbers. Wij hebben er zelf niet gegeten maar vonden het wel veelbelovend uitzien.

De Buurvrouw

Wil je toch ook eens een ‘normaal’ hapje eten, dan kan ik restaurant ‘De Buurvrouw’, vlakbij de Grote Berg, aanraden. Dit restaurant wordt gerund door een Nederlandse en ligt direct naar de grote weg. Als je echter binnenloopt, waan je je compleet in andere sferen. Het restaurant is een prachtig houten gebouwtje, dat met passende verlichting ontzettend veel sfeer uitstraalt. Ze serveren hier allerlei uiteenlopende gerechten, voor ieder wat wils, en bomvol smaak! Vooral de pepersaus en de champignons (voorgerecht) waren echte feestjes in je mond. Het is niet het goedkoopste restaurant, maar daarentegen moet ik eerlijk bekennen dat de prijzen op Curaçao me sowieso ontzettend tegenvielen. Voor een simpel hoofdgerecht betaal je al gauw 20-35 USDollar, veel goedkoper zul je niet vinden (bij de meer Europese restaurants dan).

Toch liever bij je buren op het bord kijken?

Hou je van wat meer drukkere, toeristische plekken, breng dan een bezoekje aan Mambo Beach of Jan Thiel. Deze strandjes zijn echt ingericht op toerisme, de strandbedjes liggen dan ook zij aan zij in mooie rijen. Voor privacy hoef je hier dus niet te komen. Daarentegen is er wel vanalles te doen; beachvolley, flyboarden en niet-te-vergeten Happy Hour. En ook op deze plekken zijn enkele prima restaurantjes te vinden (uiteraard ook tegen toeristische prijs).

Al met al heb ik echt ontzettend genoten van het land. Ondanks dat het echt veel te heet was om niet aan het strand te liggen, hebben we toch wel genoeg van het eiland kunnen ontdekken. Nu is het eiland ook maar klein, dus echt veel tijd heb je daar niet voor nodig. De bevolking heeft in ieder geval blijkbaar geen last van de hitte, want iedereen was overal even aardig en altijd met een lach.